Eco-driving

De principes van eco-driving helpen je om bij verplaatsing met de auto brandstof te besparen en dus ook CO2 te reduceren. Dit is goed voor je portomonnee, maar ook voor het milieu.

Hou de volgende tips in je achterhoofd wanneer je je verplaatst met de auto:

  • Starten: de motor opwarmen door deze stationair te laten draaien, is niet zinvol, zelfs in de winter ! Van zodra de motor gestart wordt, probeert u te vertrekken. De motor warmt u op door te rijden. Extra gas geven bij het starten is volkomen nutteloos ; de automatische choke zorgt reeds voor een verrijkt mengsel en maakt de extra gasstoot overbodig.
  • Gebruik uw verkeersinzicht en probeer zoveel mogelijk te anticiperen op hetgeen vóór u gebeurt. Plots remmen en terug accelereren is te vermijden. Maak zo veel mogelijk gebruik van de kinetische energie van de wagen die werd opgebouwd. Het momenteel verbruik wordt nul (= 0 liter) op het moment dat u de motorrem gebruikt. Let wel : de motorrem is gewoon gas lossen ; dit betekent dus niet terugschakelen en de koppeling laten opkomen om te vertragen (dit is remmen op de koppeling, wat technisch niet optimaal is).
  • Houd voldoende afstand; te weinig volgafstand houden resulteert in vaker moeten remmen. Als u meer afstand bewaart zal gas lossen meestal de nodige vertraging opleveren (zonder te moeten remmen). Het toepassen van de 3-secondenregel is niet alleen veiliger, maar tegelijk ook een goede stap in de richting van een economische rijstijl.
  • Schakel tijdig op: d.w.z. ga zo vroeg mogelijk naar de hoogst mogelijke versnelling. De motor in toeren jagen is absoluut zinloos. Het momenteel verbruik stijgt hallucinant (makkelijk tot méér dan 35 à 40 liter per 100 km) en de uitstoot van schadelijke stoffen bereikt piekwaarden. Algemeen genomen mag u stellen dat het weinig zinvol is om boven ca. 60 à 70 % van het maximumtoerental te gaan. Wat bedoelen we daar concreet mee? Als de rode zone van de toerenteller begint aan 5.000 tpm, dat ga je best niet boven de 3.000 (= 60 %) à 3.500 (= 70 %) tpm. Hoger in de toeren klimmen zal weinig tot geen voordelen opleveren (tenzij wat winst aan absolute snelheid …).
  • Het beste schakelmoment ligt grosso modo rond de 2.000 (dieselmotoren) à 2.500 tpm (benzinemotoren). Doordat er voldoende koppel aanwezig is, zal dit vroeg opschakelen geen motorschade opleveren. Bekijk even het instructieboekje van uw wagen om te vernemen aan welk toerental het maximum koppel bereikt wordt en houd daar rekening mee. U bereikt het beste rendement als u rijdt aan het toerental van het maximum koppel.
  • Probeer zo min mogelijk terug te schakelen en probeer zo min mogelijk te remmen met de voetrem. Laat de wagen zoveel mogelijk uitrollen in de versnelling (motorrem!).
  • Geef doortastend gas. Optrekken met het gaspedaal quasi volledig (maar weliswaar slechts gedurende een korte tijd) ingedrukt, resulteert in het laagste gemiddeld verbruik.
  • Stilleggen: zet – indien mogelijk – de motor af wanneer u méér dan 3 seconden moet wachten (gesloten spoorwegovergang, gedraaide brug, rood licht, etc.). Eenmaal starten komt naar verbruik toe overeen met 3 seconden stationair laten draaien.
  • Controleer de bandenspanning regelmatig, bv. maandelijks. Wanneer de bandenspanning 10 % of méér onder de aanbevolen waarde ligt, zal dit resulteren in een meetbaar méérverbruik van 3 à 5 %. En dit is vermijdbaar.
  • Houd de stroomvreters in de gaten. Concreet denken we aan bv. de achterruitverwarming en zeker de airco. Probeer bij warm weer het temperatuurverschil tussen buiten het voertuig en in het voertuig te beperken tot ca. 5°C. Een groter verschil van bv. 8 à 10°C zal resulteren in een meetbaar méérverbruik.
  • Verminder de luchtweerstand. Een imperiaal, bagagerek, skibox of een set fietsen verwijdert u best van zodra het mogelijk is. Rijden met een skibox verhoogt het verbruik met 5 à 10%, zeker bij hogere snelheden. Een set fietsen op het dak zal het verbruik opdrijven met 20 tot 30%. Rijden met de ramen open zal het verbruik ook negatief beïnvloeden.
  • Registreer uw verbruik. Meten is weten. Een boordcomputer is hierbij handig, zeker als u bovendien uw momenteel verbruik ziet.
  • Beperk de snelheid. Vanaf ca. 60 km/u neemt de luchtweerstand exponentieel toe en stijgt het verbruik navenant. Dit betekent niet dat u niet sneller ’mag‘ rijden dan 60 km/u. Integendeel. Maar realiseer u dat het verschil tussen pak weg 110 km/u en 120 km/u zal resulteren in een meetbaar méérverbruik van 3 à 5 %.
  • Probeer de snelheid constant te houden. Een cruise control is hiervoor een handig hulpmiddel. Een constante snelheid resulteert in een lager gemiddeld verbruik.
  • Indien u de wagen moet parkeren, doe dit dan achterwaarts. Dit biedt twee voordelen: u vermijdt manoeuvreren met een koude motor en u behoudt een prima overzicht op het naderende verkeer bij het wegrijden. Het is dus ook veiliger!
  • Houd rekening met de energielabel van de wagen bij aankoop.

Meer informatie vind je terug op www.ecodriving.be.