Verleden van Heist in vogelvlucht

'Den berg'

Het meest opvallende landschappelijke kenmerk van Heist-op-den-Berg is de heuvel. Hij steekt 48 meter boven de zeespiegel uit, en was 15 miljoen jaar geleden een zandbank. Heist bevond zich namelijk op dat ogenblik op de kustlijn, in de overgangszone van de zee naar het vasteland. Later heeft de zee zich teruggetrokken maar deze zandbank, de latere Heistse berg, bleef staan.

Ontstaan van Heist

Er bestaan twee theorieën op welke plaats de eerste bewoners zich zouden hebben gevestigd en van waar Heist is gegroeid. Volgens de eerste stelling heeft de oudste parochiekerk gestaan op het gehucht Lo. Vandaar zou zich de eerste dorpskern hebben ontwikkeld. Luidens een andere stelling is de berg vanaf de oudste geschiedkundige tijden de bewoonde dorpskom geweest. Stelling die wordt ondersteund door het feit dat de oudste wegen in de omgeving van de berg vanuit de vier windstreken stervormig naar de bergtop toelopen.

Het oudste geschreven document waarin voor de eerste maal sprake is van Heist, is een oorkonde die in 1008 werd uitgevaardigd door de Duitse koning Hendrik II. De inhoud van dit charter komt hierop neer dat de prins-bisschop van Luik en de graaf van Loon de vergoedingen toegewezen krijgen die de landbouwers moeten betalen om hun vee te laten grazen in de weiden en bossen van steden en dorpen in hun eigendom, gelegen tussen de beide Neten en de Dijle. Hiertoe behoorde volgens het document ook ’Heiste‘.

Middeleeuwen

De middeleeuwse geschiedenis van Heist werd gekenmerkt door de invloed die de adellijke familie Berthout had in de regio. In 1333 verkocht de prins-bisschop van Luik de heerlijkheden Mechelen en Heist aan Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen. Door het eenmakingsproces van het centrale gezag werden in het midden van de 15de eeuw de Bourgondische hertogen de nieuwe heren van Mechelen en Heist.

16de eeuw

Rond 1550 werd de eenmaking van de Nederlanden een feit. Het gebied was ingedeeld in 17 provincies. Mechelen was de kleinste provincie en telde drie geledingen: de stad (binnen de omwalling), het district (d.i. de onmiddellijke omgeving) en het ressort waartoe de heerlijkheden Heist en Gestel behoorden.

De heerlijkheid Heist was verder onderverdeeld in ‘heerdgangen’. ‘Heerd’ is een Oudnederlands woord dat ‘kudde’ betekent. Het begrip heerdgang was een gang waarlangs de kudde naar de gemeenschappelijke weide werd gebracht. In ruimere betekenis was heerdgang een min of meer afzonderlijke leefgemeenschap. Heist telde zeven heerdgangen: Bergeraarde, Hallaar, Laar en Zonderschot, Booischot, Bos en Achterheide, Bernum en Bruggeneinde, en Werft. Met uitzondering van Bergeraarde (d.i. de berg en het centrum van Heist) zijn de benamingen van deze heerdgangen die later zijn geëvolueerd tot gehuchten, nu nog bekend.

Filips II, vorst der Nederlanden, verkocht in 1559 Heist aan ridder Gaspar Schetz en diens nakomelingen. Deze man was afkomstig uit een rijke Antwerpse koopmansfamilie en sinds 1545 ook heer van Grobbendonk. Omdat het huwelijk van Antoon-Ignatius Schetz met Maria-Carolina-Magdalena van Berghe kinderloos bleef, kwam na het overlijden van eerstgenoemde in 1726 Heist in het bezit van de adellijke familie d’Ursel, en dit tot aan de Franse Revolutie op het einde van de 18de eeuw.

17de eeuw

Vanaf 1630 duikt in de bestuurlijke bescheiden de benaming ‘Land ende Vrijheid van Heist’ op. In deze term komt de geprivilegieerde toestand van Heist tot uiting. Zo kon Heist in eigen naam recht spreken, en moest het slechts te rade gaan bij de rechtbank van Mechelen in geval van betwisting of indien de veroordeelde in beroep ging. Er werd recht gesproken door een schepenbank die was samengesteld uit zeven schepenen. De aanklacht, het vooronderzoek en het uitvoeren van het vonnis waren taken voor de schout. De schout voerde het hoogste gezag in Heist. Hij was de plaatsvervanger en de gemachtigde van de heer van Heist, door wie hij werd aangesteld. De schout waakte erover dat Heist in goede bestuurlijke banen werd geleid.

18de eeuw

Heist telde in de 18de eeuw drie belangrijke verkeerswegen: de Grote Mechelsebaan die liep langs Booischot, Achterheide en Schriek, de Oude Liersebaan die Werft doorkruiste, en de Grote Nete.

Vanaf 1794 bezette het Franse revolutionaire leger onze gewesten, die administratief op uniforme leest werden ingedeeld. Heist werd een gemeente (waartoe ook Booischot en Hallaar behoorden) en hoofdplaats van een gelijknamig kanton binnen het arrondissement Mechelen. Na twintig jaar Frans juk met o.a. de vele Heistse (en andere) jongens die de legers van Napoleon moesten bevolken (1795-1815), volgt een periode van vijftien jaar onbehaaglijke Hollandse overheersing (1815-1830). Vooral Booischot reageerde actief en enthousiast op de Belgische Revolutie van 1830.

19de eeuw

De 19de eeuw stond in het teken van de verdere afbrokkeling van het veel te grote Heistse grondgebied. Zeer tegen de zin van Heist-op-den-Berg kon Booischot in 1836 zijn onafhankelijkheid bekomen. Het kleine Hallaar bekwam hetzelfde in 1876: door de niet aflatende ijver van Livinus Carré werd dit grote gehucht met de mooiste kerk uit de hele regio (de Onze-Lieve-Vrouwekerk) een zelfstandige gemeente. In hetzelfde jaar 1876 werd het belangrijke en vruchtbare gehucht Bernum willens nillens overgeheveld naar Itegem.

In Heist-op-den-Berg werd ook de voorloper van de Belgische Boerenbond opgericht. Op het Heistse gehucht Goor stichtte pastoor Mellaerts een boerengilde die de belangen van de landbouwers behartigde. Op zelfde leest richtte deze pastoor samen met minister Helleputte te Leuven in 1890 de Belgische Boerenbond op. Of anders gezegd: zonder ’t Goor en pastoor Mellaerts: geen Belgische Boerenbond!

20ste eeuw

Heist-op-den-Berg was een landbouwgemeente. Tussen de twee wereldoorlogen was het in Vlaanderen één van de grootste leveranciers van de vroege en andere aardappelen.

De twee wereldoorlogen zelf hebben in Heist-op-den-Berg zoals elders hun menselijke en materiële tol geëist. Gedurende een maand (september 1914) was Heist-op-den-Berg zelfs een spookstad: iedereen die kon, vluchtte voor het Duitse geweld. Het V1- en V2-bommengeweld tussen november 1944 en maart 1945 zaaide in de regio Heist dood en vernieling.

Onder leiding van de twee burgemeesters Eugeen Wouters (1946-1958) en Alfons Verbist (1959-1976) kende Heist welvaart en vooruitgang. Het in 1968 ontstane industriepark breidt nog steeds uit.

Als gevolg van de gemeentefusie (1 januari 1977) wordt de oppervlakte van Heist-op-den-Berg verviervoudigd. Sindsdien bestaat Groot-Heist uit de deelgemeenten Heist-op-den-Berg, Booischot, Hallaar, Itegem, Schriek en Wiekevorst.

In 1977-1978 kocht de gemeente twee monumenten aan in sterk verwaarloosde toestand: het Hof van Riemen en de Kaasstrooimolen. Na restauratiebeurten in verschillende fasen behoren beide monumenten sinds de negentiger jaren tot het belangrijkste erfgoed van de gemeente. De Kaasstrooimolen op het gehucht Bruggeneinde (nabij de grens van Hulshout) is vandaag uitgegroeid tot een toeristische troef.

Waren of zijn achtereenvolgens burgemeester van de fusiegemeente: Carl Demolder (1977-1982), Diane Verbist-Vandewijngaerden (1983-2006) en Luc Vleugels (sinds 2007).