Kies voor streekeigen groen

Bij een huis hoort meestal een tuin. Het verdient aanbeveling om bij de aanleg van de tuin gebruik te maken van streekeigen, autochtone plantensoorten. Die zijn meestal goedkoper, aangepast aan ons klimaat en ze groeien sneller.

Als groenblijvende hagen zijn taxus en liguster geschikt, als bladverliezende hagen kennen we de haagbeuk (carpinus), beuk (fagus), veldesdoorn (acer campestre) en meidoorn (crataegus). Geschikte bomen zijn olm, linde, eik, kastanje, notelaar, els, beuk, es, acacia, esdoorn en fruitbomen (pruimen, appels, peren, kersen, …).
Plant ook eens een streekeigen struik met prachtige bloemen en bessen, bv. een krentenboompje (amelanchier), hazelaar (corylus), Gelderse roos (viburnum opulus), rode kornoelje (cornus sanguinea) of hulst (ilex).

De Plant-wijzer bevat meer info over inheemse bomen en struiken en de Fruit-wijzer is een openbaring over streekeigen hoogstammige fruitsoorten. Je kan ze hier bekijken.

Het Regionaal Landschap Rivierenland organiseert diverse acties en projecten rond natuur- en landschapszorg in onze streek, zie www.rlrl.be.

Voor de plantafstanden gelden volgens het Veldwetboek volgende regels: hoogstammige bomen (meer dan drie meter hoog) moeten op minstens 2 m van de perceelgrens worden geplant. Struiken en hagen (minder dan twee meter hoog en doorgaans meerstammig) moeten op minstens 50 cm van de perceelgrens worden geplaatst.

Bij de aanleg van een tuin is het zinvol om te werken met bodembedekkers (geranium, pachysandra, kleine maagdenpalm, …). Die vragen minder onderhoud en vormen een geschikt alternatief voor een gazon. Door het aanbrengen van een dikke laag compost verhinder je de groei van onkruid en bovendien wordt de structuur van de bodem verbeterd en meteen bemest.